(On)Toegankelijk. Deel 4.

Plaats hier je eigen verhalen.
Gesloten
Wimmie
Berichten: 295
Lid geworden op: wo 01 jan 2020, 23:09
Vul het getal in: 123

(On)Toegankelijk. Deel 4.

Bericht door Wimmie » ma 02 mar 2026, 07:40

Ik merk dat ik steeds meer om Evert ga geven. We ondernemen veel en daar geniet ik van.
“Ik vind het heerlijk om met jou te fietsen en andere activiteiten te ondernemen."
Evert glimlacht. “Bij jou zijn is echt bijzonder.”

Elke week trekken we er één keer op uit. Soms bedenk ik waar we heen gaan, soms kiest Evert. Omdat de afstanden groter worden verplaatsen we onze tochten naar het weekend. Ook huiswerk maken we, ondanks dat we op verschillende scholen zitten, met elkaar. We zitten alle twee in vijf Gymnasium, de talenkant. We moeten volgend jaar hetzelfde eindexamen maken! Vaak vinden we raakvlakken in de lesstof; samen Griekse teksten van mij vertalen of Latijnse teksten van Evert, of andersom. We helpen elkaar structuur te vinden en zo leren we allebei.

Na een van onze tochten zitten we in mijn kamer, Evert op mijn bed. Ik hoepel naar hem toe, pak zijn handen en trek hem dichterbij. Hij komt naar voren, buigt, en vanuit het niets kussen we elkaar.
“Dit wil ik al de hele dag,” fluister ik.
Evert zucht: “Ik al veel langer. Ik wist niet hoe ik moest beginnen.”
Ik glimlach. “Mijn rolstoel maakt het soms lastig. Daarom nam ik het initiatief. Als ik bij je op bed kom, zijn we dichter bij elkaar.”

Zodra we naast elkaar liggen, gaat het vanzelf. We zoenen, steeds intenser, steeds langer. Ik wil verder, maar het eten roept. “Ik wou dat ik eerder was begonnen,” zeg ik met spijt in mijn stem.
Evert lacht. “Geen probleem, Erwin. Na het eten is er nog tijd.”
Ik lach. De laatste week wordt duidelijk hoe verliefd ik op hem ben geworden. Hoe vaker we samen zijn, hoe meer ik hem daarna mis.
“Ik wist eigenlijk al langer dat jij bijzonder voor mij bent,” zegt Evert. “Ik durfde te wachten.”

Na het eten liggen we op mijn bed. We zoenen opnieuw. Ik trek Everts shirt uit, hij doet hetzelfde bij mij. Zijn handen zoeken mijn huid, ik de zijne, het voelt warm. Hij trekt zijn broek en boxer uit, een uitnodiging. Ik volg, hoewel het voor mij liggend lastig is; mijn benen werken niet mee. Evert helpt.
Het zachte licht valt op mijn blote benen. Nu ziet Evert ze helemaal. Mijn benen zijn dun, scherp getekend, weinig spier.
Ik wist dat dit moment zou komen. “Het is goed zo, Evert,” zeg ik, hopend hem gerust te stellen. Hij knikt en kijkt opnieuw. Alles aan mij is in beweging, mijn benen niet.

“Kom,” zeg ik zacht, terwijl ik ga zitten.
Evert komt naast me zitten, zijn knie raakt mijn dij. Zijn hand rust vlakbij mijn been, de aanraking is voorzichtig. Onze schouders raken elkaar.
Ik pak Everts hand en leg hem boven mijn knie. “Het is oké,” herhaal ik.
Evert laat zijn hand liggen. Zo blijven we zitten, dicht bij elkaar, kwetsbaar en intiem.
Ik voel me onzeker, en vermoed dat Evert zich waarschijnlijk ongemakkelijk voelt. Langzaam verdwijnt de laatste afstand tussen ons. De warmte en spanning zijn voelbaar.
Everts hand glijdt langzaam omhoog, steeds een stukje verder alsof hij elke millimeter wil leren kennen. Mijn adem stokt even, mijn lijf reageert zichtbaar.
“Je hoeft niet te wachten. Ik ben er,” fluister ik.
Evert knikt en durft nu meer. Hij buigt voorover en onze lippen raken elkaar opnieuw.
Ik leg mijn hand in Everts nek, trek hem dichter naar me toe. Hij duwt me voorzichtig achterover. Mijn benen liggen dun en stil onder me. Evert kijkt er niet meer naar. Hij komt bij me liggen.
Onze lichamen verraden wat we voelen.
Everts hand rust op mijn borst, zijn adem stokt. Het verlangen is onmiskenbaar en moeilijk te beheersen.
We bewegen langzaam, leren zonder haast, elke aanraking nieuw. Everts hand aarzelt even. Mijn beweging moedigt hem aan.
Evert volgt, zijn hand vindt zijn weg. Het verlangen hoeft zich niet te bewijzen, het is er gewoon.
Ik lig ontspannen. Mijn benen open, zichtbaar, dun. Evert besteedt er geen aandacht meer aan. Later zal hij ze aanraken zonder erbij stil te staan.
Onze blikken houden elkaar vast.
Wat ongemakkelijk begon, wordt iets intiems.

Na afloop fluistert Evert: “Dit wil ik je al de hele week zeggen: ik houd van je, Erwin.”
Als hij later dan gepland naar huis gaat, kunnen we het niet laten om bij de deur nog een keer te zoenen. Het is wat onhandig met de rolstoel, maar Evert weet zich zo te bewegen dat het lukt.

Twee dagen later liggen we opnieuw bloot op mijn bed.
“Ik had niet verwacht dat je bovenbenen er net zo uit zouden zien als je onderbenen. Het verraste me, of nee, het raakte me. Gelukkig gaf je me de tijd om eraan te wennen.”
“Ik ben wie ik ben. Mijn benen horen bij mij, prettig of niet. Ik ben blij dat je na mijn rolstoel ook mijn benen accepteert.”

Tijdens een fietstocht vraagt Evert: “Wil jij nog steeds rond het IJsselmeer gaan fietsen?”
“Ja, absoluut. Het idee van samen fietsen, dag en nacht bij elkaar zijn, lijkt me heerlijk.”
“Als we dat deze zomer willen doen, moeten we gaan plannen. Denk je dat je in een tent kunt slapen? Zo’n fietstent is klein, laag en snel gevuld met twee mensen en bagage. Kun jij erin en eruit?”
“Ik weet het niet, Evert. Ik heb nog nooit gekampeerd. Mijn rolstoel buiten de tent laten lijkt me niet verantwoord.”
“We kunnen onze tent een keer opzetten zodat je ‘m kunt proberen.”
“Dat lijkt me een goede idee. Ik weet echt niet wat ik met een tent kan.”

Op zaterdag neemt Evert de tent mee. Op het grasveld in de achtertuin proberen we hem uit.

Evert zet de tent snel op. Ik zie meteen: klein, laag. Het eerste probleem is er al. Op de grond komen is toch anders dan een transfer van stoel naar stoel. Armkracht is niet genoeg.
“Geen idee hoe ik op de grond moet komen,” zeg ik.
“Dat doe je natuurlijk nooit.”
“Ik ga het proberen.”
Ik zet mijn rolstoel op de rem, klap de voetsteunen opzij. Probeer mezelf naar beneden te laten zakken, maar de rolstoel dreigt te kantelen. Evert grijpt hem vast. Poging mislukt.
“Dat is lastig zo te zien!”
“Als jij mij helpt?”
“Zeg maar wat ik moet doen.”
“Ik duw me in de rolstoel omhoog en dan… Nee, dat werkt niet, dan hang ik in jouw armen.”
“Dat wil ik graag, maar niet zo,” grapt Evert.
“Als we zo elke dag de tent in moeten, wordt het een spektakel. Geen idee of dat leuk is.”
“Misschien moet je toch even proberen bij de tent te komen en kijken hoeveel ruimte er is. Een grotere tent kan niet op de fiets mee. Eigenlijk verwacht ik dat een tent niet mogelijk is.”
“Goed, dan probeer ik dat. Hoe ik op de grond kom is niet belangrijk. Als je het maar lief doet.”
Ik druk me omhoog, Evert neemt me in zijn armen. Hij zoent me, ik voel me helemaal overgeleverd. We lachen.
“Ik houd van jou, Erwin. Wat je even niet kan maakt niks uit.”
“Ik houd ook van jou, Evert.”
“Dan zal ik je nu maar laten zakken, zodat je op de grond komt,” zegt Evert met een knipoog.

"Een tent is niet te doen, te klein en waar laat ik mijn rolstoel? Stel dat die in de regen moet blijven staan!"
“Dan wordt het een B&B of hotel. Moeten we met onze ouders bespreken, want B&B´s zijn duurder. En hoeveel B&B’s zijn toegankelijk?”
“Dat moeten we dan uitzoeken.”

Het gesprek met onze ouders verloopt vlot. Die van Evert zeggen: “Wanneer je schoolrapport net zo goed is als altijd, mag je onze extra bijdrage zien als beloning voor hard werken.” Mijn ouders zeggen: “We gunnen jullie een actieve vakantie.”

Daarna begint het zoeken naar toegankelijke accommodaties.
“Waar hebben jullie geslapen toen jullie de tocht maakten?” vraag ik.
Evert somt de plaatsen op: Lemmer, Kampen, Harderwijk, Huizen, Volendam, Medemblik, Makkum. Zeven plekken, zes nachten zijn genoeg als we op één plek gehaald en gebracht worden.

We merken dat een toegankelijke B&B in die plaatsen niet te vinden is. We stoppen en spreken af met onze ouders te overleggen.

De ouders van Evert komen om met mijn ouders kennis te maken op zaterdagavond bij ons eten. We zijn zenuwachtig.
“Ik had ik niet verwacht, dat ik zenuwachtig zou worden,” geeft Evert toe.
“Het is best gek als je ouders kennis maken met die van je vriend. Ik twijfel niet of het klikt, maar toch…”
“Ik hoop echt een oplossing te vinden voor ons rondje IJsselmeer. Het lijkt me geweldig met jou!”
"Misschien moeten we een baantje zoeken,” grap ik.

Als we uiteindelijk met z’n allen rond de tafel zitten ontwikkelt zich een gezellig gesprek.

Gesloten