Na mijn laatste les hoepel ik naar de fietsenstalling, klik mijn handbike aan de rolstoel en zet koers naar ‘Het Hoekje’. Bij het loskoppelen van mijn handbike komt er een jongen naast me staan.
Twee blikken, één vraag: “Erwin?”
Ik schiet in de lach. “Ja, dat ben ik!”
Evert steekt zijn hand uit. “Evert, overbodig, dat weet je al.”
Samen zetten we op mijn verzoek mijn handbike aan zijn fiets vast. “Gaan we naar binnen?”
“Tuurlijk,” zegt Evert met een glimlach. “Na jou.”
Ik rol naar de deur, duw hem met mijn voetsteunen open en wacht binnen tot Evert volgt.
“Handig, zoals jij dat doet,” zegt hij “dat tafeltje?”
Ik knik, schuif een stoel wat achteruit en maak soepel de transfer. Ik klap mijn rolstoel in. Even hangt er spanning in de lucht.
“Wat doet het met je, dat ik in een rolstoel zit?” vraag ik.
Hij grinnikt. “Kleine verrassing.”
“Positief of negatief?”
“Gewoon neutraal. Ik ben hier voor jou, niet voor jouw rolstoel.”
Een last valt van mijn schouders. “Fijn. Ik ben al vaker contact kwijtgeraakt door het meteen te vertellen.”
“Snap ik. Mijn lievelingsoom zat een jaar in een rolstoel na een herseninfarct. Sindsdien zie ik vooral de mens, niet het hulpmiddel.”
Zijn openheid voelt als een warme deken.
“Het is serieus.”
“Absoluut. Ik wil ik je graag beter leren kennen.”
We glimlachen. “Zelfde golflengte,” zeg ik.
We bestellen wat te drinken.
“Wil je vertellen hoe je in een rolstoel terecht bent gekomen?”
Ik haal diep adem. “Mijn geboorte liep niet bepaald soepel. Mijn hersenen hadden op een bepaald plekje even te weinig zuurstof. Mijn benen doen niet wat ik wil. Verder ben ik gezond. School gaat goed, dat weet je.”
Evert glimlacht. “Die negen voor je proefvertaling Grieks zegt genoeg.”
Ik vertel over thuis. “Ik ben enig kind, mijn beide ouders werken. Mijn vader heeft een administratiekantoor aan huis, mijn moeder geeft Nederlands op jouw school.”
Evert kijkt verrast op. “Mevrouw Sanders? Dat is mijn lerares!”
We moeten lachen om het toeval.
“Hoe zit het bij jou thuis?” vraag ik.
Hij vertelt dat zijn vader bij de gemeente werkt, zijn moeder in een sportwinkel. Ik kom daar wel. Verder dat hij de jongste is met een broer en zus.
“Misschien heeft mijn moeder je wel eens geholpen in de winkel,” lacht hij.
“Mag je haar vragen,” zeg ik. “Oh ja, mijn ouders weten dat ik homo ben. De jouwe ook?”
Hij knikt. “Zeker. Trouwens, die handbike van jou… wat een uitvinding!”
“Ideaal. Zo fiets ik met mijn handen. Samen een tocht maken zie ik wel zitten.”
“Hardlopen slaan we dan maar over,” grijnst hij.
“Als ik mag hoepelen in mijn rolstoel, krijg je het moeilijk!”
“Voor mij ben jij gewoon Erwin. Niet meer, niet minder. Wil je binnenkort een keer bij mij thuis langskomen? Ik weet alleen niet hoe rolstoelvriendelijk ons huis is.”
“Bij mij thuis is voor mij alles gelijkvloers. Mijn slaapkamer en badkamer zijn beneden. Kom eerst eens bij mij, dan leg ik uit wat ik wel en niet kan.”
Als ik thuis kom is mijn moeder er al.
“Ik heb net Evert gezien, van het online contact. Hij keek even verbaasd toen hij mij zag. Hij vindt het geen probleem dat ik in een rolstoel zit. Overmorgen komt hij hier langs, na school.”
“Dat viel mee!”
“Ja, ik was best nerveus. Als hij er vandoor was gegaan, had ik me rot gevoeld.”
“Vertel de rest straks maar als papa er ook bij is. Ik ben benieuwd.”
“Jij kent hem!”
“Ik ken hem?”
“Ja, dat vertel ik straks wel.”
“Laat je me in spanning?”
“Jij stelde het zelf voor. We eten zo.”
“Goed, ik wacht wel. Is hij ook homo?”
“Mam, stop met vissen, straks hoor je alles.”
“Als jij de tafel dekt, kunnen we zo eten…”
“Ik dek de tafel, maar niet om het je eerder te vertellen,” plaag ik.
Aan tafel valt mijn moeder meteen met de deur in huis: “Wil je nu vertellen hoe het zit?”
Ik vertel mijn ouders over de ontmoeting met Evert; hoe hij geen moeite had met mijn rolstoel en hoe prettig het voelde om met hem samen te zijn. Dat hij mijn moeder als lerares heeft.
“Hij is één van mijn beste leerlingen. Rustige jongen. Iedereen mag hem. Ideale schoonzoon,” zegt ze lachend.
“Mam, we kennen elkaar pas. Laten we rustig afwachten, je hoeft nog niet over schoonzoon te praten.”
“Erwin, dat was een grapje. Jij bepaalt wie je ziet zitten.”
Op de afgesproken dag kijk ik uit naar zijn komst.
Mijn vader is boven aan het werk, mijn moeder is nog niet thuis. Als de bel gaat, rol ik naar de voordeur en maak open.
“Hoi Evert, kom binnen. Welkom!”
Ik pak zijn jas aan en hang die op mijn hoogte aan de kapstok. Evert merkt dat glimlachend op.
“Ons huis is op veel plekken aangepast. Alles op mijn hoogte. Ook lichtschakelaars. Ik laat het je zien. Mijn ouders kunnen wel bukken, ik niet opstaan.”
We gaan naar de woonkamer, de keuken zonder onderkastjes onder het aanrecht en een elektrisch in hoogte verstelbaar werkblad.
“Dankzij deze keuken kan ook ik koken.”
Mijn kamer is zoals die van elke middelbare scholier. In de aangrenzende badkamer laat ik Evert zien hoe ik met de douchestoel kan douchen en hoe het toilet en de wastafel zijn aangepast. “Door deze aanpassingen ben ik helemaal zelfstandig.”
“Weet je, Erwin, ik heb thuis geleerd om weinig vooroordelen te hebben. Toen ik je in een rolstoel zag, moest ik even slikken. Ik vind het niet onoverkomelijk.”
“Je bent onbevooroordeeld èn bescheiden.”
“Hoezo?”
“Mijn moeder vindt jou één van haar beste leerlingen. We gaan eerst wat drinken en daarna naar mijn kamer.”
Als we wat drinken komt mijn moeder binnen, loopt naar Evert en zegt: “Dag Evert. Wat een verrassing, dat jij via Erwin hier bent. Fijn dat je de rolstoel geen probleem vindt.”
“Dag lieverd, fijn dat je Evert hebt meegebracht.”
Weer tegen Evert: “Blijf je eten?”
“Daar hebben we het niet over gehad. Evert, zie je dat zitten?”
“Dat hangt vooral af van wat we eten,” grinnikt hij.
“We eten groentesoep met gehaktballetjes en daarna lasagna.”
“Menu goedgekeurd,” zegt Evert. Hij belt naar huis en zegt dat hij niet thuis eet.
“Betekent dit dat ze bij jou thuis weten wie ik ben?” vraag ik.
“Natuurlijk heb ik thuis ook verteld wie jij bent.”
“En, hoe reageerden ze?”
“Heel positief. Mijn moeder zei: 'Leuk dat je iemand hebt die misschien wel je vriend wordt. Koester dat'.”