(On)Toegankelijk. Deel 1.

Plaats hier je eigen verhalen.
Wimmie
Berichten: 292
Lid geworden op: wo 01 jan 2020, 23:09
Vul het getal in: 123

(On)Toegankelijk. Deel 1.

Bericht door Wimmie » di 24 feb 2026, 07:56

“Ik moet nu echt aan de slag. Overmorgen moet ik een proefvertaling Grieks maken. Welk stukje het wordt weet ik nog niet. Het komt uit boek E van de Ilias. Ik zou het liefst alles doornemen, maar dat lukt niet. Als ik het onderwerp weet, red ik me wel. Dus, ik stop er nu mee.”
“Wacht nog even, Erwin. Kunnen we afspreken? Ons online contact voelt goed. Ik wil je ontmoeten. Jij mij ook?” zegt Evert.
“Evert, je overvalt me. Daar heb ik nog niet over nagedacht. Morgen hoor je van me.”
“Is goed, als je maar ja zegt. Tot morgen.”

Everts gezicht verdwijnt van het scherm. Een afspraak? Graag. Hoe vertel ik hem dat...

Ik ben homo. Dat weet ik al jaren. Mijn ouders ook. In het begin was het een schok, net als mijn beperking. Artsen noemden mijn geboorte een medisch wonder, ondanks dat zal ik nooit kunnen lopen. Ik zit in een rolstoel. Dat is wat het is. Mijn ouders zijn trots op me, zoals ik ben. Mijn ouders en ik hebben een hechte band. Mijn rolstoel en mijn geaardheid, die horen bij mij. Mijn vader noemt het mijn ‘kenmerkende eigenschappen’.

Via gaysites kwam ik Evert tegen. Het klikte meteen. Nu wil hij afspreken. Hij ziet mij kennelijk wel zitten. Wat doe ik met mijn rolstoel? Vertel ik het vooraf of laat ik het gewoon gebeuren?

Eerder leidde zoiets tot niets. Soms klikte het wel, tot ik vertelde over mijn rolstoel. Eén keer was het contact meteen verbroken. Zonder uitleg gewoon geblokkeerd.
Een ander contact duurde acht weken. Over handicap hadden we zelfs een grapje gemaakt. Toen ik vertelde dat ik iets persoonlijks wilde delen, reageerde Jan nieuwsgierig.
“Wat bedoel je met persoonlijk?”
“Het hoort bij mij.”
“Waarom nu pas?”
“Omdat het lastig is.”
“Vertel.”
“Ik zit in een rolstoel, voor altijd.”
Stilte.
“Waarom vertel je dit nu?”
“Omdat ik dacht dat ik je nu voldoende kende.”
“Ik weet niet of ik dit wil weten.”
“Het hoort bij mij, Jan. Als we ooit afspreken, zie je het vanzelf.”
“Ik weet het niet, hoor. Dit is lastig.”
“Voor mij ook. Daarom vertel ik het niet meteen.”
Stilte.
“Wat vind je ervan?”
“Lastig. Misschien hadden we als je het verteld had nooit contact gehad.”
“Daarom heb ik het verzwegen.”
“Vind je dat eerlijk?”
“Waarom niet?”
“Het voelt vreemd.”
“Wat nu?”
“Ik moet nadenken.”
“Snap ik. Ik overval je.”
“Precies.”
Dit ging de verkeerde kant op. Waarom reageren mensen zo moeilijk op mijn rolstoel?
“Laat maar weten als je weer contact wilt.”
“Komt goed. Tot dan.”
Jan verdween uit mijn leven.

Nu zit ik nu weer in hetzelfde schuitje. Is het nu anders? Of hoop ik dat? Het contact met Evert is veelbelovend. Toch komt mijn rolstoel weer aan bod.
Ik kom er niet uit. Me storten op de Ilias geeft me afleiding. ‘s Avonds lig ik wakker. Wat moet ik morgen tegen Evert zeggen? Zwijgen? Of juist niet? Gewoon confronteren? Kijken wat er gebeurt? Ik zie overal haken en ogen. Ik laat het even los.

De volgende ochtend begint het gepieker weer. Gedoucht en aangekleed ga ik naar de keuken.
“Goedemorgen, mam.”
“Goedemorgen, lieverd. Lekker geslapen?”
“Ja hoor.”
“Is er wat, Erwin?” Niets ontgaat haar.
“Ja, maar nu is mijn Griekse vertaling belangrijker. Ik ben er druk mee bezig.”
“Mooi. De rest komt wel.”

Rugzak mee, mijn jas kan blijven hangen. Ik hoepel naar de garage, koppel m’n handbike aan mijn rolstoel en vertrek naar school.
Bij mijn klasgenoten vind ik afleiding. De lessen beginnen. Ik focus op de lessen, werk door, voel me sterk. Morgen gaat het lukken.
Ik weet nog steeds niet wat ik Evert ga zeggen.

“Heb je kunnen nadenken over een afspraak, Erwin?”
Nerveus ademend zeg ik: “Ja, dat heb ik. Ik wil graag een afspraak met jou.”
“Gelukkig. Zullen we die nu plannen?”
“Even niet, Evert. Morgen heb ik mijn proefvertaling Grieks. Daar wil ik me op concentreren.”
“Geen probleem.”
“Fijn, want mijn hoofd zit vol Grieks, daar wil ik nu even niet van afgeleid worden.”
“Dus je denkt ook aan ons?”
“Misschien wel te veel,” geef ik schoorvoetend toe.
“Ik laat je met rust. Gaat verder alles goed?”
“Ja hoor. Over die proefvertaling begin ik me steeds positiever te voelen!”
“Dan spreken we elkaar morgen weer. Succes met Grieks!”
“Dank je, Evert, tot morgen.”

Met een zucht verbreek ik het contact. Het voelt niet goed om zo te schipperen. Het uitstel geeft me een beetje rust. In bed komt de twijfel terug. Ik duw het weg.

De volgende dag ben ik volledig gericht op Grieks. Mijn voorbereiding blijkt goed: zodra ik het stukje krijg, weet ik meteen waar het over gaat en word ik kalm. Binnen tien minuten ben ik klaar en krijg direct een 9.
Tijdens het avondeten vertel ik trots mijn cijfer. Papa zegt: “Je hebt er hard voor gewerkt!” Mama vult aan: “Goede voorbereiding loont.”
“Ik heb het met plezier gedaan. Grieks is een leuk vak, zeker als je zo’n cijfer haalt.”
Ik kijk mijn moeder aan.
“Gisteren vroeg je of er iets was. Ik zei dat ik erop terug zou komen. Ik heb al een tijd online contact met een leuke jongen, Evert. We kunnen goed praten, over school, hobby’s, alles eigenlijk.”
Papa vraagt: “Vertel je dit zodat wij het weten, of wil je iets anders?”
“Dat laatste. Ik heb hem nooit verteld dat ik in een rolstoel zit. Bij eerdere contacten liep het mis zodra ik dat vertelde.”
Mama vraagt: “Wat wil je van ons?”
“Ik wil overleggen wat het beste is. Als ik het vooraf vertel, is er kans dat hij afhaakt. Wacht ik tot de ontmoeting, dan is de schok groter. Ik kan uitleggen waarom ik het niet eerder zei.”
Papa vraagt: “Wil je dat het niet alleen online klikt?”
“Ja, ik zie hem helemaal zitten. Hij mij blijkbaar ook.”
“Hoe denk je dat hij reageert?”
“Dat weet ik niet, toch heb ik er vertrouwen in.”
“Als het contact stopt?”
“Dan ben ik hem kwijt. Als het zou lukken, kan het ergens toe leiden.”
Ik ben even stil, denk na.
“Jullie hebben gelijk: als hij door mijn rolstoel afhaakt, is het beter om dat nu te weten.
Ik maak een afspraak, zeg verder niets. Ik leg later uit waarom ik het niet eerder heb verteld. Dan zien we wel.”
Papa zegt: “Dat lijkt me de enige juiste manier. Het is een test, en je kent hem al even online.”

Online vraagt Evert meteen: “Hoe ging Grieks vandaag?”
“Ik had een negen, het ging goed!”
“Gefeliciteerd! Was het lastig?”
“Door de voorbereiding viel het mee.”
“Ik ben blij voor je. Zullen we nu een afspraak maken?”
“Graag!”
We spreken morgen af in ‘Het Hoekje’, een cafetaria in de stad. Ik ga meteen na schooltijd. Het is tien minuten fietsen. We praten gezellig door, zoals altijd.

Aan het eind zeg ik: “Ik vind het spannend. Ik heb nog nooit met iemand afgesproken.”
“Dat geldt ook voor mij,” zegt Evert. “Ik hoop dat het niet alleen online zo goed klikt. Dat merken we morgen. Ik heb er zin in.”
Na het gesprek blijf ik nog even naar het scherm kijken. Morgen is het zover.

Plaats reactie