De andere kant van de maan. (deel 7)
Ontbijt. In een overvolle auto naar de wijngaard. Routines vormen zich snel. Er zijn geen potten gebroken. Onze verstandhouding is goed. Ik had gisteren een glas te veel op. Dingen moeten groeien. Alcohol is een slechte raadgever.
Slechts twee glazen bij het diner vandaag.
Terug op de kamer ontgaat de spanning me niet. Ik lig al in bed, klaar voor de nacht. Margot poetst haar tanden en kleedt zich zonder haast uit. In plaats van haar nachtkleed aan te trekken, stapt ze op me toe. Ik zie haar zwarte driehoek.
‘Een herkansing.’
Haar intentie is duidelijk. Ik ontdoe me zonder aarzelen van shirt en short.
‘Margot, geen herkansing. We doen niet aan herkansingen, wat niet verhindert dat ik dit wil.’
Ik lig stil, comfortabel. Gedisciplineerd, maar niet puriteins. Het licht mag aanblijven. Margot is gespannen. Ik wil haar tijd geven. Ik streel haar, maar er verandert niets.
‘Wat is er mis?’
‘Ik doe mijn best. Het lukt niet.’
‘Je moet je best niet doen. Ben je er niet klaar voor?’
‘Jawel. Dat is het niet.’
‘Het is je berg.’
Het is zo vreemd, dat plotse, ontroostbare verdriet van Margot. Een bom zonder tijdmechanisme, een mijn waar ik net op trapte. Ze sleurt me mee naar beneden. Haar verdriet wordt het mijne. Ik kan niet stoppen met huilen.
En dan is het voorbij bij Margot, alsof tijdens de storm de wind ineens gaat liggen.
Ze kust mijn natte wangen. Wiegt me heen en weer als een baby die getroost moet worden.
‘Ga je mee zwemmen, Freya?’ fluistert ze wanneer ik tot bedaren ben gekomen.
‘Het is verboden.’
‘Verboden, maar niet strafbaar. Niemand zal ons zien.’
‘Dit is te gek. Ik ga mijn badpak zoeken.’
‘Is niet nodig.’
‘Nee, zo ga ik niet mee.’
Margot trekt haar nachtkleed aan. ‘Deftig genoeg? Geen gedoe met natte zwemkleren.’
We glippen behoedzaam naar buiten.
‘De onderwaterspots van het zwembad branden.’
‘Dat is maar goed. Dan valt er niemand per ongeluk in.’
‘En als iemand ons betrapt?’
‘Dan blijven we in het water.’
We leggen onze nachtkledij op een ligstoel. Het is avontuurlijk. Iets in ons giechelt. We kunnen het niet tegenhouden. Onze waakzaamheid vervaagt.
Nog nat kleden we ons aan en sluipen naar binnen. Mijn halflange haren laten druppels achter op de stenen vloer. Ik droog mijn haren met de haardroger. Margot staat achter me, bloot, haar handen zacht op mijn buik. Ze zegt iets onverstaanbaars.
Ik zet de haardroger uit. ‘Wat zei je?’
Haar vingers bewegen, trekken licht mijn shirt omhoog. Ik hef mijn armen op.
‘Het is niet over. Het is méér.’
Ik draai me om. We zoenen gulzig.
‘Mag ik eerst mijn haren verder drogen?’
Ik keer me terug naar de spiegel en zet de blazer weer aan. Margot kijkt me over de schouder aan en langzaam laat ze mijn shortje zakken.
Mijn tong speelt met haar tepels. Alle voorzichtigheid laat ik varen. We schuiven, draaien en liggen op elkaar, tastend en zoekend. Haar handen vinden plekken die ik niet had verwacht; mijn vingers volgen haar huid overal waar ik wil…
Het wordt een belevenis in een achtbaan, met meer loopings dan ik mogelijk achtte.
‘Waarom was je daarstraks zo verdrietig?’ vraagt Margot voor we gaan slapen.
‘Moeilijk te zeggen. Je hebt me iets laten voelen. Gek om die vraag aan mij te stellen. Jij weet beter dan ik wat precies. We hebben iets anders gedeeld nu,’ antwoord ik. Mijn hand rust op haar rug, mijn vingers volgen de contouren. Ze zucht zacht, ontspant nog meer tegen me aan, elke spanning smelt langzaam weg.